Met de trein naar de start
Wie systematisch nieuwe streken aandoet, komt er niet met rondjes vanaf de eigen voordeur. De trein is dan het belangrijkste hulpmiddel: hij brengt je naar een startpunt ver weg en haalt je aan het eind van de dag ergens anders weer op.
De regels voor je fiets in de trein
Een gewone fiets mag buiten de spits mee, met een los dagkaartje voor de fiets. In de ochtend- en avondspits op werkdagen mag dat niet. In juli en augustus vervalt die beperking op de meeste trajecten, wat de zomer een stuk praktischer maakt.
Een vouwfiets valt buiten die regels. Opgevouwen telt hij als bagage en mag hij altijd mee, ook in de spits en zonder extra kaartje. Voor wie vaak vroeg vertrekt, weegt dat op tegen het minder comfortabele rijden.
Lus of enkele reis
Er zijn twee manieren om het aan te pakken. Bij een lus stap je uit, fiets je een ronde en keer je terug naar hetzelfde station. Dat is simpel te plannen maar levert minder nieuw gebied op, omdat je grofweg in dezelfde streek blijft.
Bij een enkele reis fiets je van het ene station naar het andere. Dat dekt aanzienlijk meer terrein, maar vraagt planning: je moet de aankomsttijd halen en weten hoe laat de laatste bruikbare trein gaat.
Deelfietsen als alternatief
Bij vrijwel elk station staan OV-fietsen. Wie een dag in een verre streek wil fietsen zonder de eigen fiets mee te zeulen, kan daarmee uit de voeten. Ze zijn zwaar en hebben weinig versnellingen, dus voor lange of heuvelachtige ritten zijn ze minder geschikt.
Voor een korte ronde om een paar ontbrekende gemeenten aan te tikken voldoen ze prima. De kraskaart laat zien welke dat in jouw geval nog zijn.
Wat vaak misgaat
De klassieke fout is te krap plannen. Een lekke band, tegenwind of een omleiding kost snel drie kwartier, en de laatste trein wacht niet. Reken een marge van een uur en kijk vooraf welk station het dichtstbijzijnde alternatief is.